Nederlandse vrijdenkers

Op deze pagina treft u vooralsnog beknopte info aan over belang-rijke Nederlandse vrijdenkers. Het is de bedoeling om in de toekomst meer uitgebreide informatie te geven.

Herman van Rijswijck († 1512)
Franciscus van den Enden (1602 – 1674)
Adriaan Koerbagh (1632 – 1669)
Johannes Koerbagh (1634 – 1672)
Benedictus de Spinoza (1632 – 1677)
Lodewijk Meijer (1629 – 1681)
Jarig Jelles (ca. 1620 – 1683)
Anthonie van Dale (1638 – 1708)
Balthasar Bekker (1634 – 1698)
Frederik van Leenhof (1647 – 1706)
Bernard Mandeville (1670 – 1733)

Herman van Rijswijck ( 1512)
Herman van Rijswijk is misschien wel de eerste Nederlandse vrijdenker. Hij was een priester die later in woord en geschrift de christelijke leer en dogma’s volledig verwierp. In 1502 werd hij al door de inquisitie tot eeuwige gevangenisstraf veroordeeld maar wist te ontsnappen. Uiteindelijk kwam hij in Den Haag op de brandstapel om het leven na een veroordeling wegens ketterij.

Bron: http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu05_01/molh003nieu05_01_0867.php

Franciscus van den Enden (1602 – 1674)
Franciscus van den Enden verwierf zijn bekendheid voornamelijk als leraar Latijn van Spinoza. Maar daarnaast was Van den Enden ook theoloog, politiek filosoof, medicus, kunsthandelaar en politiek activist. Verder was Van den Enden een uitgesproken atheïst en een radicaal criticus van het bestaande regentensysteem.

Wegens betrokkenheid bij een samenzwering tegen Lodewijk XIV werd Van den Enden in 1674 opgehangen op de Place de la Bastile.

In zijn pamflet ‘Vrije Politieke Stellingen‘ uit 1665 (waarvan het auteursschap pas in 1971 door Marc Bedjai en onafhankelijk van hem in 1990 door de Spinoza kenner Wim Klever was ontdekt!) verdedigt Van den Enden de radicale politieke stelling dat directe democratie de enige doelmatige vorm van staatkundige organisatie is.

Van den Ende’s model van directe democratie verwijst naar de Romeinse geschiedschrijver Tacitus (56 – 117) die over de directe democratie zoals die in twaalfde eeuw voor het begin van onze jaartelling in de stadsstaat Athene was gevestigd schrijft: ” Over kleine zaken beraadslagen en beslissen de ministers, over de grotere en meer belangrijke zaken beraadslsagen en beslissen allen, met dien verstande evenwel dat al die zaken waarover het volk het laatste woord heeft, ook door de ministers worden behandeld”.

Van den Ende’s sociale gelijkheidsbeginsel was vooral in het licht van de vigerende politieke theorieën van Plato, Aristoteles, Cicero, de broers De la Court en Hobbes – met Machiavelli en vooral Spinoza als positieve uitzonderingen –  een radicale breuk met het verleden.

De directe democratie zoals die door Van den Enden in zijn ‘Vrije Politieke Stellingen‘ werd gepropageerd stond dan ook in schril contrast met het autoritaire regentendom van zijn tijd en is ook een veel radicalere vorm van democratie dan de huidige vertegenwoordigende democratie waarin het volk eens in de zoveel jaren stemt op partijgebonden regenten.

Referenties
1. Franciscus van den Enden, ‘Vrije politieke Stellingen‘, met een inleiding van Wim Klever, Uitg. Wereldbibibliotheek, 1992.
2. Wim Klever, ‘Directe democratie‘ inclusief hertaalde en toegelichte ‘Vrije Politieke Stellingen‘(1665), Uitg. Vrijstad, 2007.
3.  http://users.telenet.be/fvde/index.htm?Home1.

Adriaan Koerbagh (1632-1669)
Adriaan Koerbagh (1632-1669) was een onverschrokken strijder voor het vrije woord. Anders dan zijn Amsterdamse geestverwant Spinoza (1632-1677) die voor een internationaal podium in het Latijn schreef, richtte Koerbagh zich ongemaskerd en welbewust tot het grote publiek van de Republiek.

Na een academische promotie in de geneeskunde en de rechten, schreef hij drie boeken waarvan ‘Een Bloemhof Van Allerley Lieflykheyd Sonder Verdriet’ uit 1668 veruit de meeste aandacht trok. Dit provocatieve boek volgde op zijn eerste boek ‘ ’t Nieuw Woorden Boek der Regten’ uit 1664 dat, zoals de titel al zegt een verklarend woordenboek was van Latijnse rechtsgeleerde termen.

Naast een aanbeveling voor vakgenoten om – zoals hij in zijn inleiding schreef – in hun moerstaal te spreken, had Koerbagh met zijn ’t Nieuw Woorden Boek ook een politiek doel voor ogen. Hij wilde korte metten maken met het verhullende juridische jargon waarmee de regenten klasse zich bediende en handhaafde.

Naar de schijn was Een Bloemhof eveneens een woordenboek – nu meer algemeen voor bastaardwoorden, inclusief medisch en theologisch vakjargon – maar was in werkelijkheid een 672 bladzijden tellende, alfabetisch geordende bestrijding van elk mystificerend dogmatisme en in het bijzonder dat van de christelijke godsdienst. Daarbij beperkte Koerbagh zich niet slechts tot een droge opsomming van trefwoorden, maar vulde zijn vaak originele vertalingen doorgaans aan met scherpzinnige en spottende uitleg.

De twee verschillende drukken van Een Bloemhof verschenen ofwel onder het pseudoniem Vreedenrijk Waarmond ofwel onder Koerbagh’s eigen naam. Ook bestaan er exemplaren waarin beide namen zijn vermeld. De naam van de drukker werd verzwegen of was fictief.

Zijn laatste boek ‘Een Ligt Schijnende in Duystere Plaatsen’ had dezelfde strekking als Een Bloemhof maar was zoals Spinoza’s Ethica een meer systematisch filosofisch werk.[Zie daarvoor ook het gelijknamige topic op dit forum.]

Adriaan Koerbagh heeft de verspreiding van zijn laatste boek echter niet kunnen meemaken. De publicatie van Een Bloemhof was voor de Amsterdamse kerkenraad al zwaar over de schreef en vormde het startsein voor zijn uiteindelijke arrestatie op 18 juli 1668 te Leiden.

Al kort na zijn arrestatie werd wegens het uitspreken, schrijven en laten drukken van godslasterlijke vertogen op 27 juli 1668 een barbaarse straf tegen hem geëist: 1. afhakken van de rechterduim, 2. doorboren van de tong met een gloeiende priem, 3. een veroordeling in de kosten, en 4. dertig jaar opsluiting.

Nog diezelfde dag werd Adriaan Koerbagh door de civiele autoriteiten veroordeeld tot: 1. tien jaar opsluiting, 2. daarna tien jaar verbanning uit Amsterdam , 3. een boete van 4000 gulden, en 4. een veroordeling in de kosten van 2000 gulden.

Omstreeks 15 oktober 1669 stierf Adriaan Koerbagh op 37-jarige leeftijd in gevangenschap in het Amsterdamse (zgn. gewillige) Rasphuis, vermoedelijk als gevolg van uitputting.

Naar het schijnt zijn er nog slechts drie exemplaren van ’t Nieuw Woorden Boek in openbare collecties in Nederland bekend. De meeste exemplaren van Een Bloemhof en op twee na alle manuscripten van Een Ligt werden door de Hollandse autoriteiten in beslag genomen en vernietigd.

Bronnen:
Meinsma, K. O., ‘Spinoza en zijn kring’, Martinus Nijhoff, 1896
Van Moerkerken, P.H., ‘Een strijder voor het vrije denken’, Van Oorschot, 1948Vandenbossche, Hubert, ‘Adriaan Koerbagh en Spinoza’, Mededelingen XXXIX vanwege het Spinozahuis, Brill, 1978
Sanders, Ewoud, ‘Woorden van de duivel’, de Bijenkorf, 1993
Klever, Wim, ‘Mannen rond Spinoza’, Verloren, 1997

 

Johannes Koerbagh (1634 – 1672)
Johannes Koerbagh was de jongere broer van Adriaen met wie hij dezelfde opvattingen deelde. Hij werd in 1668 gelijktijdig met zijn broer gearresteerd en vervolgens  wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten. Gedurende zijn korte resterende levensduur is hij niet meer naar buiten getreden.

Bronnen: zie Adriaan Koerbagh

 

Benedictus de Spinoza (1632 – 1677)
Benedictus de Spinoza is zonder twijfel de bekendste wijsgeer en de grootste vrijdenker van Nederlandse bodem. Hij is gezichtsbepalend geweest voor de geschiedenis van het westerse denken. Zijn belangrijkste werken zijn de ‘Tractatus theologico-politicus’ (TTP) uit 1670 en de ‘Ethica’ die in 1677 postuum verscheen).

In de TTP bepleit Spinoza de scheiding van theologie en filosofie, oftewel de vrijheid om te filosoferen. Spinoza wil aantonen dat het recht op het vrije gebruik van de rede, zonder inmenging van de zijde van de theologen, noodzakelijk is om te komen tot een vreedzame en deugdzame samenleving. Omdat de theologen zich beroepen op het woord van God, zoals geopenbaard in de bijbel, onderneemt Spinoza een zeer uitvoerige en fundamentele analyse van de bijbel. Hij geldt hiermee als een van de grondleggers van het historisch-kritische bijbelonderzoek. De TTP eindigt met een overtuigend betoog ‘dat in een vrij staatsbestel het een ieder is toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.’

In zijn Ethica wijst Spinoza de – moeilijk begaanbare – weg tot het menselijk geluk. De Ethica kunnen we kort en bondig als volgt samenvatten:

– elk bestaand wezen er naar streeft zich naar zijn eigen aard te handhaven. Voor het menselijke wezen heeft dit streven meer kans van slagen naarmate de kennis toeneemt;
– deze kennis houdt onder andere de erkenning in dat de mens geen zelfstandig koninkrijkje is binnen het grote rijk van de natuur is, maar een integraal onderdeel van die natuur, waarin alles in een oneindig causale samenhang met elkaar verbonden is. De mens is dus onderworpen aan de werking van de natuurwetten hetgeen het bestaan van een vrije wil uitsluit;
– geluk is slechts te bereiken door te handelen naar het voorschrift van de rede, dat wil zeggen, op basis van adequate ideeën;
– het begrijpen van de menselijke affecten (passies, hartstochten, emoties) is een noodzakelijke voorwaarde om ons niet alleen aan de overheersing ervan te ontworstelen, maar ook de functie ervan in de interactie tussen mens en natuur te begrijpen en te leren waarderen. Kennis wordt zo zelf een affect, namelijk vreugde;
– met andere woorden: menselijke vrijheid is mogelijk door te leven naar het voorschrift van de rede, niet door het ontkennen en verwerpen van de passies als irrationeel, maar door het onderkennen van hun noodzakelijke karakter, voortvloeiend uit de ordening van de natuur.

Bron: http://www.phil.uu.nl/~piet/Spinoza_overzicht.html

 

Lodewijk Meijer (1629 – 1681)
Lodewijk Meijer was arts te Amsterdam, wijsgeer, lexicograaf, toneelschrijver, toneelcriticus, regent van de Amsterdamse schouwburg en een goede bekende van Spinoza.

Zijn belangrijkste werk – geschreven in het Latijn –  over de wijsbegeerte als vertolker der H. Schrift (‘Philosophia S. Scripturae interpres’) verscheen in 1666 anoniem.  In dit werk – dat hij uit voorzichtigheid enige jaren op de plank had laten liggen – stelt hij wetenschappelijk verworven kennis boven “kennis” verkregen volgens bijbelse openbaringen.

Bron: http://spinoza.blogse.nl/log/lodewijk-meijer-1629-1681-belangrijk-vriend-van-spinoza-schreef-zijn-naam-meijer-niet-meyer.html

 

Jarig Jelles (ca. 1620 – 1683)
Jarig Jelles was een goede vriend van Spinoza en een actieve pleitbezorger van diens filosofie.

Bron: http://spinoza.blogse.nl/log/jarig-jelles-1620-1684-belydenisse-met-15-korting.html

Anthonie van Dale (1638 – 1708)
Anthonie van Dale was een vooraanstaand medicus en een enthousiast wetenschapper in het Haarlem van het einde van de zeventiende eeuw. Hij betoonde zich een vurig tegenstander van kwakzalverij en allerlei andere soorten bijgeloof zoals blijkt uit zijn in 1683 verschenen ‘De oraculis veterum ethnicorum dissertationes’ (verhandeling over oude heidense orakelen).

Bron: Jonathan I. Israel, Radicale Verlichting, Van Wijnen – Franeker, derde druk, september 2010

Balthasar Bekker (1634 – 1698)
Balhasar Bekker was een dominee die de wereld wilde bevrijden van het geloof in betovering. Zijn bekendste werk is “De betoverde wereld” (1691-1693).

Bron: http://spinoza.blogse.nl/log/balthasar-bekker-1634-1698.html

Frederik van Leenhof (1647 – 1706)
De Zwolse predikant Frederik van Leenhof publiceerde in 1703 een klein boekje met de titel ‘Den hemel op aarden; of een korte en klaare beschrijvinge van de waare en stantvastige blydschap’. Daarin beweerde hij dat het ware geluk op aarde slechts te bereiken is door inzicht te verwerven in Gods eeuwige orde. En alleen een goed gebruik van de rede zou tot dit inzicht kunnen leiden. Deze spinozistische boodschap riep uiteraard veel weerstand op.

Bron: http://stevendejoode.com/2010/01/09/frederik-van-leenhof

Bernard Mandeville (1670 – 1733)
De Rotterdamse arts en schrijver Bernard Mandeville vestigde zich in de jaren ’90 van de zeventiende eeuw in Engeland en publiceerde daar zijn belangrijkste werken. Zijn ‘Fable of the Bees’ (1705) heeft een grote invloed uitgeoefend op vertegenwoordigers van de Schotse Verlichting, zoals de belangrijke liberale filosofen als David Hume en Adam Smith. De centrale gedachte van de ‘Fable’, dat eigenbelang een belangrijke motor achter maatschappelijke dynamiek en vooruitgang vormt, is een soort liberaal geloofsartikel geworden.

Bron: http://www.elsevier.nl/web/Opinie/Gezond-verstand-1/333427/Bernard-Mandeville-het-nut-van-egoisme.htm